Cannes 2026
Zaterdag 23 mei: De Gouden Palm gaat naar…
Vanavond worden in Grand Auditorium Louis Lumière de Gouden Palm en een karrenvracht aan andere prijzen verdeeld door een zeer internationale jury, bestaande uit de Zuid-Koreaanse regisseur, scenarist en producent Park Chan-wook (voorzitter), de Amerikaanse actrice en producent Demi Moore, de Iers-Ethipische actrice en producent Ruth Negga, de Belgische regisseur en scenarist Laura Wandel, de Chinese regisseur en scenarist Chloé Zhao, de Chileense regisseur en scenarist Diego Céspedes, de Ivoriaans-Amerikaanse acteur Isaach De Bankolé, de Schotse scenarist Paul Laverty en de Zweedse acteur Stellan Skarsgård. Het lijkt me een goeie, verstandige jury, maar je weet maar nooit of ze met een goeie Palm-winnaar op de proppen komen. Als het aan mij ligt, worden de prijzen als volgt verdeeld:

De Gouden Palm gaat naar Minotaur van de Russische regisseur Andrej Zvyagentsev. Het is zowel een terechte als een veilige keuze: Zvyagentsev heeft al belangrijke prijzen gewonnen in Cannes, met Loveless (Juryprijs in 2017, na de Gouden Palm en de Grand Prix de derde prijs van het festival) en Leviathan (prijs voor het beste scenario in 2014). En hij lag tijdens corona 40 dagen in coma, een reactie op het Russische Spoetnik-vaccin. Toen hij in Berlijn revalideerde, begon de ‘militaire operatie’ in Oekraïne en besloot hij niet naar Rusland terug te keren. Sindsdien woont Zvyagentsev in Parijs. Minotaur speelt zich af in Rusland aan het begin van de oorlog met Oekraïne, maar is met een Russische cast opgenomen in de Letse hoofdstad Riga, zonder financiële steun van het Russische Ministerie van Cultuur. Maar Minotaur is bovenal een sterke film. Het overspelverhaaltje van La femme infidèle van Claude Chabrol uit 1969 verandert bij Zvyagintsev in een beklemmende, cynische schets van een door en door corrupt, moreel failliet land, waar jongemannen elk moment kunnen worden opgeroepen als kanonnenvoer en de rijke elite overal mee wegkomt. Met een geweldige cast en dito art direction.
De Grand Prix is voor Soudain van de Japanse regisseur Hamaguchi Ryusuke (Drive My Car, Evil Does Not Exist), een fijnzinnig drama over de bijzondere vriendschap tussen een terminaal zieke Japanse toneelschrijfster (Tao Okamoto) en de toegewijde directrice van een Parijs’ verzorgingstehuis (Virginie Efira), die probeert, ondanks personeels- en geldtekort, een humane zorgmethode te introduceren. De twee praten meer dan drie uur aan één stuk, over Humanitude, de Franse gezondheidszorg en het kapitalisme, maar de manier waarop Hamaguchi het brengt is meeslepend en aangrijpend. Beide hoofdrolspeelsters hadden van mij ook samen de prijs voor de beste actrice mogen winnen.
De Juryprijs, de derde prijs, is voor Coward van de Vlaamse regisseur Lukas Dhont, gecoproduceerd door het Amsterdamse Topkapi Films. De ambitieuze, intieme film over de complexe liefdesrelatie tussen een boerenzoon en de zoon van kleermaker, terwijl hun makkers sterven in de loopgraven, is overigens zeer verdeeld ontvangen. Deadline (‘een klassiek filmisch liefdesverhaal voor de eeuwigheid’) en Variety (‘zijn meest volwassen film tot nu toe’ en ‘een liefdesverhaal van uitgesproken tederheid’) zijn positief. The Hollywood Reporter is vernietigend: Coward ‘riekt naar gekunstelde aanstellerij en onoprechtheid’, is ‘hol en kunstmatig’ en ‘alles voelt zo geregisseerd en zonder enige scherpte aan, waardoor het doorslaat in melodrama’. De enigszins vooringenomen recensent – hij vond Girl en Close ook maar niks – werpt Dhont ook voor de voeten dat al zijn filmtitels uit maar één woord bestaan… De eerste prijs is overigens al binnen; Coward werd vrijdagavond onderscheiden met de Prix du Cinéma Positif, bedoeld voor een film die inspireert tot hoop, veerkracht en menselijke vriendelijkheid.
De prijs voor de beste regisseur is voor de Poolse meester Pawel Pawlikowski (Ida, Cold War), voor zijn gedurfde, zeer eigen en precieze Fatherland, een in gloedvol zwart-wit gedraaid drama vol grijstinten over het bezoek van de Duitse schrijver Thomas Mann (Hanns Zischler) en zijn dochter Erika (geweldige Sandra Hüller) aan zijn verdeelde vaderland, in 1947.
De prijs voor het beste scenario is voor Javier Ambrossi en Javier Calvo, die samen het script schreven voor het zinderende La bola negra en de film ook regisseerden. La bola negra (‘de zwarte bal’) is geïnspireerd op de gelijknamige, onvoltooide roman van Federico García Lorca uit 1936, en verbindt op geraffineerde wijze de geschiedenissen van drie (homoseksuele) mannen in drie tijdvakken: 1932, 1937 en 2017. Langzaam wordt duidelijk hoe de drie zich tot elkaar verhouden.
Voor beste actrice is het aantal kandidaten groot. Van mij mag de prijs naar Renate Reinsve (Fjord), Iris Lebedeva (Minotaur) Léa Drucker (La vie d’und femme), Adèle Exarchopoulos (Garance), Iris Lebedeva (Das geträumte Abenteuer) of Tao Okamoto en Virginie Efira (die behalve in Soudain ook een hoofdrol speelt in Histoires parallèles, maar er zijn ook critici die Léa Seydoux heel goed vinden in Gentle Monster en L’inconnu (ik niet) en van Scarlett Johansson hebben genoten in Paper Tiger (ik niet).
De prijs voor de beste acteur vind ik ook niet eenvoudig: ik vind Dmitry Mazurov steengoed als na-de-val-van-de-muur-steenrijk-geworden-Rus in Minotaur, Javier Bardem heel goed als tikje toxische Oscarwinnaar in The Beloved en de Roemeens-Amerikaanse Sebastian Stan (zo goed als onherkenbaar, met kale kop) heel overtuigend in Fjord als principiële, oer-conservatieve vader van vijf. Maar ik kan ook goed leven met Swann Arlaud (Notre salut) of Gilles Lellouche (Moulin), zolang het Adam Driver (Paper Tiger) of Rami Malek (The Man I Love) maar niet wordt.

Vrijdag 22 mei: op zoek naar het graf van Klaus Mann en onzinnige rollen voor Benoît Magimel en Monica Bellucci
Mijn laatste dag begonnen met mijn vaste routine: een duik, croissants, koffie en een fietstochtje naar het festivalpaleis. Daar stonden ook om kwart over 8 alweer wat dames en heren met bordjes waarop werd gevraagd of iemand een ticket over heeft – bomt niet voor welke film. ’s Middags en ‘s avonds staan er ook veel frisse jongens en meisjes in smoking en avondjurk, vaker met een gericht verzoek. Ik heb overigens nog nooit gezien dat iemand ook daadwerkelijk een kaartje kreeg…


De laatste twee competitiefilms waren van vrouwelijke regisseurs – in totaal waren vijf van de 22 films die meedingen naar de Gouden Palm geregisseerd door een vrouw. De Duitse Valeska Grisebach (wier fraaie Western in 2018 door Dana Linssen en mij was geselecteerd voor Critics’ Choice IV: Sustainable Criticism op het IFFR) toog voor Das geträumte Abenteuer naar de grens tussen Roemenië en Turkije. Daar houdt een ferme archeologe zich bezig met door de EU gefinancierde opgravingen, terwijl de mannen uit de streek zich bezighouden met smokkel van mensen, drugs en benzine. Das geträumte Abenteuer is een lange, lome film met een aantal prima niet-professionele acteurs in de hoofdrollen, die een vernietigend beeld schetst van Roemenië na de overgang van het communisme naar het kapitalisme. Beste quote: ‘Soms droom je dat je een adelaar bent, maar in werkelijkheid ben je een aap’.
Mijn laatste film was Histoires de la nuit, geschreven en geregisseerd door de Franse Léa Mysius. Een supervreemd samengesteld gezin krijgt op een afgelegen boerderij bezoek van drie psychopathische broers, omdat een van hen nog een rekening met moederlief heeft te vereffenen. De buurvrouw, een Italiaanse schilder, krijgt het ook te verduren, in een onzinnige home invasion-thriller met dito rollen voor Benoît Magimel (cliché van een psychopaat) en Monica Bellucci (cliché van een kunstenaar). Zelden zoiets gezien.
Alles bij elkaar was het echter een heel behoorlijke competitie, met zes (!) films die ik goed tot heel goed vind, en ook nog een behoorlijk aantal meer dan redelijke producties. De jury krijgt het nog moeilijk.
Histoires de la nuit was een van de weinige films waarin een hond figureerde, maar ook de Belgische herder kwam jammerlijk aan haar einde. Het aantal viervoeters dat meedingt naar de Palm Dog was deze editie niet heel groot, maar de vakjury (?) vond toch een winnaar: Yuri, die overigens door twee hondjes werd gespeeld, werd bekroond voor haar rol in La Perra van de Chileense regisseur Dominga Sotomayor.
Na Histoires de la nuit in de persruimte mijn stuk voor de zaterdagkrant afgemaakt. Daarna nog geprobeerd om alsnog een interview te regelen met ‘Los Javis’, de regisseurs van La bola negra, maar dat ging niet meer. Maar er komen meer mogelijkheden na het festival, zo werd me beloofd. Daarna de allervriendelijkste jongedames van de Coffie Bar bedankt voor alle koffie, en terug naar mijn appartement.
Ik wilde nog even rennen naar het graf van Klaus Mann, die, zo leerde ik door Fatherland, op Cimetière du Grand Jas in Cannes begraven ligt. Mijn richtingsgevoel liet me weer eens in de steek: enorm omgelopen, na een heel erg heuvelachtig stuk wist ik zeker dat ik er moest zijn, maar stond ik weer naast een dakloze man op een bankje, waar ik een kwartier eerder ook al was. En toen ik er eenmaal was, bleek de begraafplaats veel groter dan ik dacht. Het graf heb ik niet gevonden. De terugweg leek me niet zo moeilijk; als ik naar beneden zou blijven lopen, zou ik weer bij mijn appartement moeten uitkomen, maar ook dit ging ernstig mis. De zee kwam als een verlossing.


Donderdag 21 mei: Het hart van een homo is een oceaan vol dromen en de bijna 90-jarige Ken Loach is nog altijd strijdbaar
Het mooiste van mijn ochtendduik is, dat als je ver genoeg de zee in gaat je in een streepje zon zwemt, maar vanochtend was ik net te vroeg en was-ie nog niet boven het rijtje huizen uitgekomen. En toch was het weer heerlijk. Daarna croissantje en stokbrood gekocht, koffie gemaakt, en naar mijn eerste film: The Man I Love van Ira Sachs, met Rami Malek als de jonge, homoseksuele theatermaker Jimmy George, die in New York eind jaren 80 een Off-Off-Broadway-bewerking maakte van Once Upon a Time in the East, een obscure Canadese film uit 1974.
Hoewel de woorden hiv en aids nergens vallen, is al snel duidelijk dat Jimmy ernstig ziek is. Hij heeft moeite zijn teksten te onthouden, maar is vastberaden de première te halen, in een fragmentarisch drama, dat wordt gedragen door Malek. Maar ik trok hem voor geen meter, vond het geschmier (net als zijn met een Oscar bekroonde vertolking van Freddy Mercury in Bohemian Rhapsody, overigens…).
Daarna naar La bola negra van Javier Ambrossi en Javier Calvo (aka ‘Los Javis’). Die kende ik niet, maar na enig gegoogel ontdekte ik dat ze dertien jaar lang een koppel waren, na hun romantische breuk zijn blijven samenwerken en recent de serie La Mesías hebben gemaakt, die bij mijn beste weten nooit in Nederland te zien is geweest. Afgaand op La bola negra is dat bijzonder jammer.
La bola negra (‘de zwarte bal’), geïnspireerd op de gelijknamige, onvoltooide roman van Federico García Lorca uit 1936, is namelijk een zinderend, overrompelend, rijk en tot slot ook nog ontroerend drama over drie (homoseksuele) mannen in drie tijdvakken: 1932, 1937 en 2017. Langzaam wordt duidelijk hoe de drie zich tot elkaar verhouden. Met fijne bijrollen van Pénélope Cruz en Glenn Close. Beste quote: ‘Het hart van een homo is een oceaan vol dromen’.
(Opmerkelijk: er dingt dit jaar een recordaantal films mee naar de Queer Palm: 21.)
’s middags naar de Benelux-persconferentie van Lukas Dhonts Coward, op het dakterras van het Marriot Hotel, gewoon om even te kijken hoe het er daar aan toeging. Maar ook nog even met producent en broer van Michiel Dhont gesproken, over het maken van een oorlogsfilm voor 9 miljoen euro, de functie van een shot met een trein en coproduceren en private equity- en gap-financiering. Coward is mede tot stand gekomen dankzij de investering van een privépersoon die vaker investeert in anti-oorlogsfilms en oorlogsfilms met een bijzondere insteek.
Ik heb niet meer mijn best gedaan voor een kaartje voor de wereldpremière vanavond, want ik heb geen pak, vlinderdasje en zwarte schoenen meegenomen, want mijn koffer zat al zo vol. En in je gewone kloffie kom je er niet in. Wel jammer, want het blijft iets bijzonders, de rode loper van Grand Auditorium Louis Lumière met al die camera’s eromheen.
Ik heb dan geen pak mee, ik had wel een koffer vol schone setjes. Op alle tickets staat dat een ‘tenue correct’ verplicht is, maar daar geeft iedereen zijn eigen invulling aan. Er lopen best veel journalisten rond in korte broek, en ik zie ook al dagenlang iemand met een Marsupilami op zijn hoofd.
Afijn. Tussen de bedrijven door nog even Ajax-Groningen gekeken. Niet zo best.
Laat op de avond was Ken Loach bij de vertoning op het strand van zijn Land of Freedom, die in 1995 meedong naar de Gouden Palm (Loach had 15 keer een film in competitie, een absoluut record). Voorafgaand vertelde Loach dat hij toen hij Land of Freedom – over een Britse vrijwilliger in de socialistische strijdkrachten tijdens de Spaanse Burgeroorlog in de jaren 30 – maakte, dacht nooit meer fascisme te zullen zien.
De bijna 90-jarige Loach toonde zich strijdbaar als altijd. “Kunstenaars zijn de poortwachters van de waarheid. Wij zijn de radicale stem van de beschaving,” zei Loach. “Het is geen slechte taak om de radicale stem van de beschaving te zijn, en dat is onze taak, en het is een goede taak.” Vervolgens nam hij plaats op een van de metalen stoelen op de Croisette om zijn film te kijken.

Woensdag 20 mei: drie interviews, matige koffie maar geweldige bediening
Omdat ik graag (een understatement) op dezelfde plek zit – achterin, links van het midden, aan het gangpad – ben ik doorgaans ruim op tijd aanwezig. De tijd tot de film begint, gebruik ik dan om de vakbladen door te bladeren die dagelijks verschijnen tijdens het festival: Screen, Variety, The Hollywood Reporter en Le film Français. Probleem: die verschijnen niet meer, want na het weekeinde is het gedaan met de handel in Cannes; de stands in de kelder van het festivalpaleis maken een desolate indruk. Het is sowieso een stuk rustiger, en dat is wel zo prettig.

Weer twee competitiefilms gezien. Amarga Navidad (‘bittere kerst’) van de Spaanse veteraan Pedro Almodóvar, die op de begintitels al een tijdje als ALMODOVAR staat aangeduid. De Franse titel luidt Autofiction, en dat vat de film goed samen; het is een melodrama over een regisseur die op Almodovar lijkt (maar dan dunner), die aan een nieuwe film werkt, die we ook te zien krijgen, over een filmmaakster die aan een film werkt die we ook te zien krijgen. Het ziet er allemaal prachtig uit – dat dan weer wel. En een van de hoofdrollen wordt gespeeld door Milena Smid, die hartstikke Spaans is, maar wel een Nederlandse vader heeft.
Notre Salut van de Franse regisseur Emmanuel Marre is een portret van zijn overgrootvader Henri Marre. Die was een opportunistische intellectueel (of een intellectuele opportunist), die in september 1940, hij was al 49 en voelde zich ernstig miskend, naar Vichy toog met weinig meer dan zijn politieke manuscript Notre Salut (‘onze redding’), waarvan hij geloofde dat het Frankrijk van de ondergang zou redden. Veel dialoog, heel veel dialoog, en een beetje kabbelend, maar met een paar gekke (dans)scènes op popliedjes, zoals Life is Life van Opus.

Tussendoor net genoeg tijd voor (matige) koffie in de Nespressocorner, waar het hele festival al dezelfde twee jonge vrouwen onvermoeibaar cupjes in de Nespresso-machines staan te duwen en iedereen een prettige dag wensen. Op de counter ligt een schrift, waarin je mag schrijven en tekenen wat je van ze vindt; er staan alleen maar lieve dingen in.
’s Middags had ik drie interviews, met Cristian Mungiu (Fjord), Lukas Dhont (Coward) en Andrei Zvyagintsev (Minotaur). Ik had voor aanvang van het festival maar vijf interviews afgesproken, met de regisseurs van de films waarvan ik de hoogste verwachtingen had. Geen van de vijf viel tegen, en de interviews waren stuk voor stuk goed. Nu maar hopen dat de Nederlandse releasedata een beetje gunstig uitpakken, zodat een aantal vertoond kan worden op het Parool Film Fest (Paff), en ik mijn interviews kan gebruiken voor de festivalbijlage.

Aan het eind van de middag nog hardgelopen en een uurtje op het strand gelegen. De boog kan niet altijd gespannen staan.

Dinsdag 19 mei: een naar binnen gesmokkeld broodje en de beste film van het festival
Er zijn dagen waarop je vanaf half 9 ’s ochtends tot 4 uur ’s middags drie films achter elkaar ziet, met telkens minder dan een half uur ertussen, wat te kort is om het festivalpaleis te verlaten om ergens een broodje te halen. En als je het paleis betreedt moet je door een poortje, en wordt er random bepaald of je je tas moet laten controleren. Etenswaren mogen niet mee naar binnen.
Maar omdat ik gisteren bijna van mijn stokje was gegaan door de honger, had ik vanochtend toch maar een broodje belegd. Het leek er even op dat ik niet gecontroleerd zou worden, maar op het aller-allerlaatste moment wees de bewaker toch naar rechts in plaats van naar links en had ik twee tellen om te beslissen door welke van de twee bewakers ik mijn tas zou laten checken. Op de tafel voor hen stond een mandje met reeds in beslag genomen etenswaren. Ik koos voor de rechter, die toen ik mijn tas opende, direct vol zicht had op het papieren zakje van de bakker, en het ook nog gevoeld moet hebben toen ze mijn tas beetpakte. Maar ze deed niks, ze zei alleen maar ‘Bonne journée’.

Vandaag overigens maar twee competitiefilms gezien, maar dat waren wel twee heel erg goeie. Sterker: Minotaur van Andrey Zvyagintsev is de beste film van het festival tot zover en mag van mij gerust de Gouden Palm winnen. Die heeft hij nog niet, Zvyagintsev won in Cannes al wel de Juryprijs (met Loveless in 2017) en de prijs voor het beste scenario (met Leviathan in 2014) – films vol onverbloemde kritiek op de corruptie en de verstikkende invloed van de staat in het hedendaagse Rusland.
Tijdens corona lag hij veertig dagen in coma, nadat hij was ingeënt met het Russische Spoetnik-vaccin. Tijdens zijn revalidatie in een ziekenhuis in Berlijn, viel het Russische leger Oekraïne binnen. Zvyagintsev besloot niet naar Rusland terug te keren en vestigde zich in Parijs.
Minotaur is een remake van Claude Chabrols La femme infidèle uit 1969, die in 2002 ook al het uitgangspunt was voor Adrian Lyne’s Unfaithful, met Richard Gere en Diane Lane. De film werd zonder financiële steun van het Russische Ministerie van Cultuur opgenomen in Riga, de hoofdstad van Letland. Het is een beklemmende, cynische schets van een door en door corrupt, moreel failliet land, waar jongemannen elk moment kunnen worden opgeroepen als kanonnenvoer voor de speciale militaire operatie in Oekraïne en de rijke elite overal mee wegkomt. Met een geweldige cast en dito art direction.
Op Fjord van Cristian Mungiu – een andere favoriete regisseur van mij – moest ik iets langer broeden. Mungiu won in 2007 de Gouden Palm met zijn aangrijpende anti-abortusdrama 4 maanden, 3 weken en 2 dagen, kreeg in 2012 de prijs voor beste scenario met Beyond the Hills, en werd in 2016 onderscheiden als beste regisseur voor Bacalaureat, een drama over de ingebakken corruptie in Roemenië.
Het lekker ambigue Fjord nam hij op in Noorwegen, maar dat was uit vrije wil, geïnspireerd door een krantenartikel over de werkwijze van de Noorse kinderbescherming. Met de geweldige Noorse actrice Renate Reinsve en de Roemeense Sebastian Stan als diep-religieus, oer-conservatief stel dat hun vijf kinderen opvoedt volgens de normen en waarden van de Bijbel, wat botst met de Noorse wetten – én de vooroordelen van de kinderbescherming.
Morgen heb ik interviews met Zvyagintsev en Mungiu (en ook met Lukas Dhont; Coward zag ik ook al, maar daarover mag ik nog niks zeggen). Vandaag sprak ik al met Ryusuke Hamaguchi (Soudain). Ik had ergens gelezen dat hij zijn Franse hoofdrolspeelster Virginie Efira had gecast na het zien van Paul Verhoevens Benedetta en vroeg me af op basis waarvan hij dacht dat ze ook geschikt zou zijn voor een ruim drie uur durende praatfilm, waarin een groot deel van haar dialogen in het Japans is. Hamaguchi stak vervolgens de loftrompet op Verhoeven en Benedetta. “A fucking wonderful film. Ik vroeg Virginie of ze niet bang was geweest voor bepaalde scènes, maar ze antwoordde van niet, omdat ze Paul Verhoeven volledig vertrouwde. Toen wist ik dat ze geschikt was voor mijn film. En ze was ook al Japans aan het oefenen.”

Voor het sluiten van de markt nog een rondje gemaakt, maar het Amerikaanse paviljoen kwam ik niet in. Daarvoor moet je een abonnement afsluiten en dat kost 295 dollar (Standard Membership) of 1.195.00 dollar (Gold Membership). Bij het Japanse paviljoen werden er enorme hoeveelheden koekjes uitgedeeld. Ik heb een doosje aangenomen, dat kan nog van pas komen in geval van hongerklop, als ik het tenminste mee naar binnen mag nemen.
Nagekomen berichten: A24 heeft voor een enorm bedrag de wereldrechten gekocht van festivalhit Club Kid; naar verluidt is alleen al voor de Benelux 1 miljoen euro betaald, wat betekent dat je heel veel kaartjes moet verkopen…
Jafar Panahi, vorig jaar winnaar van de Gouden Palm met It Was Just an Accident, moet woensdag opnieuw voor een Iraanse rechtbank verschijnen, Het gaat om een herbehandeling van een zaak waarin hij eind vorig jaar bij verstek werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar. Panahi wordt beschuldigd van ‘propaganda tegen het regime’.
En ik vroeg voormalig Filmfondsdirecteur Sandra den Hamer of er al nieuws is over de Nederlandse poging om in 2029 of 2031 de uitreiking van de European Film Awards naar Amsterdam te halen, maar dat duurt nog even. Half juli, dan wordt erover vergaderd.

Maandag 18 mei: Het festival is over de helft en alcohol maakt meer kapot dan je lief is
Het festival is over de helft; meer dan de helft van de competitiefilms is vertoond. Het voorlopige resultaat: drie schitterende films, te weten Fatherland van de Pool Pawel Pawlikowski, Soudain van de Japanner Hamaguchi Ryusuke en Fjord van de Roemeense regisseur Cristian Mungiu. Verder heb ik vooral veel middelmaat gezien. En ik niet alleen; de critici die sterren mogen geven in Screen zijn bepaald niet scheutig. Bovenaan staat Fatherland met 3,3 (op een schaal van 0 tot 4), de enige andere film die boven de 3 scoort is Soudain (3,1). De meeste films blijven steken onder de 2; Sheep in the Box van Hirokazu Kore-eda bungelt onderaan met een gemiddelde van 1,4 (Ik vond het eerste uur heel aardig).
Terzijde: vorig jaar waren er aan het einde van het festival maar twee films die hoger dan 3 scoorden. 3.1 om precies te zijn: Two Prosecutors van Sergei Loznitsa en (de latere Gouden Palm-winnaar) Un simple accident van Jafar Panahi. Het diepterecord staat nog altijd op Sean Penns The Last Face, in 2016, met een gemiddelde van 0,2.
Moulin van de Hongaar László Nemes vond ik een beetje tegenvallen. Het is een al te conventioneel portret van de Franse verzetsheld Jean Moulin, dat qua vorm wel heel schril afsteekt bij zijn meesterlijke debuut Son of Saul, die in 2015 in Cannes (terecht) werd onderscheiden met de Grand Prix en de Fipresci-prijs. Gilles Lellouche, die ook te zien is in de alweer bijna vergeten openingsfilm La Vénus électrique, is goed als Moulin. Alle Duitsers schreeuwen (‘Allez Schwein!’).
Ook Adèle Exarchopoulos, die in 2013 samen met Léa Seydoux de Palm voor de beste actrice won voor hun hoofdrollen in La vie d’Adèle, is beter dan de film waarin ze speelt, Garance van de Française Jeanne Herry. Exarchopoulos speelt een actrice die vanaf haar achttiende dagelijks drinkt, waardoor op haar 36ste 75 procent van haar lever dood is (en haar leven een puinhoop is). Als ze niet onmiddellijk stopt met drinken, zal ze de veertig niet halen. Het lijkt soms wel een Postbus 51-campagne: alcohol maakt meer kapot dan je lief is.
Léa Seydoux, eerder te zien in Marie Kreuzers competitiefilm Gentle Monster, duikt ook weer op in L’inconnu van Arthur Harari, die vooral bekend is als co-scriptschrijver van Anatomy of a Fall, de Gouden Palm winnaar van 2023 van zijn partner Justine Triet. Seydoux komt terecht in het lichaam van een jonge fotograaf, in een tamelijk incoherente film over identiteit en de vraag wie of wat wij eigenlijk zijn? Spoiler: op een gegeven moment is ze zwanger van zichzelf.
Best bijzonder in Cannes: na afloop van alle persvertoningen staan er medewerkers van de persbureaus bij de uitgang die direct van je willen weten wat je van de film vond. Veel anderen sturen er nog een mailtje achteraan: ‘Thank you for attending this morning’s screening! We would love to hear your thoughts on the film, if you’re happy to please share a reaction?’ Tsja, als ze het willen weten, moeten ze mijn blog maar lezen.
Nog een paar nieuwstjes uit Cannes; Barbra Streisand komt zaterdag niet naar de slotavond om haar ere-Gouden Palm in ontvangst te nemen; ze heeft nog teveel last van haar knie… De eerste ‘Build Your Dream Award’ – in het leven geroepen door Mediawan en BYD, voor een debuutfilm die tussen twee edities van het Filmfestival van Cannes in de Franse bioscopen is uitgebracht – is uitgereikt aan de Oekraïense Zhanna Ozirna voor Honeymoon (en dus niet aan Muriel D’Ansembourgs Truly Naked, die ook genomineerd was).
En Cate Blanchett, ‘global goodwill ambassador’ van de VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR, maakte in Cannes de tweede lichting makers bekend die geld krijgen van het Displacement Film Fund: Mohammed Amer, Annemarie Jacir, Akuol de Mabior, Bao Nguyen en Rithy Panh krijgen geld om een korte film te maken. Benieuwd of de geslaagde eerste lichting, die eerder dit jaar in wereldpremière ging op het IFFR, nog eens ergens te zien zal zijn…
Zondag 17 mei: een horrorshow en toch maar eens naar een borrel
Eerder dit festival was ik uitgenodigd voor een Thaise borrel, waar ook een Thaise prinses zou verschijnen, maar dat feest heb ik wijselijk laten schieten. Ook de borrel van Fipresci, de club van internationale filmcritici, heb ik aan me voorbij laten gaan, maar zaterdagavond ben ik wél naar de borrel van het IFFR en de NAPA (de Netherlands Audiovisual Producers Alliance) geweest (All work and no play makes jack immers a dull boy).

En het was best leuk, maar tegen twaalven ben ik toch maar naar huis gegaan, want om half 9 stond de eerste film alweer op het programma: Sheep in the Box van de Japanse regisseur Hirokazu Kore-eda (zijn negende film in competitie in 25 jaar Cannes). Die speelt in de nabije toekomst en gaat over een stel dat een robot in huis neemt die identiek is aan hun overleden zoon, om zo diens dood te verwerken. Aardig uitgangspunt, niet helemaal overtuigend uitgewerkt.
Daarna naar The Beloved van de Spaanse regisseur Rodrigo Sorogoyen, met Javier Bardem als een legendarische, tikje toxische Spaanse regisseur (met twee Oscars op zijn naam), die voor zijn nieuwste project terugkeert naar Spanje, en zijn dochter, een matig getalenteerde actrice die hij dertien jaar niet heeft gezien, voor een hoofdrol cast (Een beetje zoals Francis Ford Coppola deed met Sofia Coppola voor The Godfather Part III). Ik vond Bardem (veel) beter dan de film.
Bardem was ook goed tijdens de persconferentie, met een rant over toxische mannelijkheid, zijn machistische vaderland Spanje, femicide, en Trump, Poetin en Netanyahu, die zeggen dat hun lul groter is dan die van jou en je vervolgens helemaal kapot bombarderen.

Daarna meteen door naar Hope van de Zuid-Koreaanse regisseur Na Hong-jin. Daarin wordt een Zuid-Koreaans gat (Er hangen spandoeken met ‘Bescherm het land tegen infiltratie’) opgeschrikt door een monster dat in no time de halve bevolking afslacht en de wijde omtrek in een rokende puinhoop verandert. Ik kon mijn hoofd er slecht bijhouden, omdat ik via WhatsApp op de hoogte werd gehouden van de tussenstand van Heerenveen-Ajax. Toen ik na anderhalf uur in de gaten dacht te hebben wat het monster behelsde (Ik hoopte dat het een metafoor zou zijn voor Noord-Korea, maar het bleken aliens, waarin ten langen leste de echtlieden Michael Fassbender en Alicia Vikander te herkennen waren), heb ik het oorverdovende horrorspektakel toch maar verruild voor de horrorshow die Ajax heet. Het kan altijd erger. Hoop is uitgestelde teleurstelling, zo bleek maar weer.
Ook nog naar Paper Tiger van de Amerikaan James Gray, die sinds zijn debuut Little Odessa in 1994 geen geslaagde film meer heeft gemaakt, maar om voor mij onbegrijpelijke redenen toch telkens weer in de Gouden Palm-competitie opduikt. Paper Tiger is een in Queens anno 1986 gesitueerde misdaadfilm annex broedertwist, met kale, van onder tot boven getatoeëerde Russen die zinnen uitschreeuwen als ‘You Like to Die?!’ en Scarlett Johansson als een soort Mien Dobbelsteen-achtige huismoeder met uilenbril en blonde krullen.
Ik had betere dagen in Cannes.
Zaterdag 16 mei: bijna te laat voor een interview en drie films op hetzelfde moment

Het einde van Marie Kreutzer’s Gentle Monster heb ik niet gehaald (maar ik kon het wel raden), omdat ik naar een interview moest met Pawel Pawlikowski (Fatherland). Kwam nog bijna te laat, omdat ik mijn eigen aantekeningen verkeerd had gelezen op mijn volgekrabbelde schema. Interview was erg goed, maar halverwege ontdekte ik dat mijn voicerecorder niet werkte. Gelukkig zat Ruben Nollet in mijn groepje, filmredacteur van de Belgische krant De Tijd en hoofdredacteur van het kakelverse filmblad Filmfix.
Ik kreeg meteen het nulnummer mee, geheel gewijd aan Cannes, natuurlijk met hun nationale filmtrots Lukas Dhont op de cover. ‘Doping voor de cinema,’ luidt de titel van Nollets voorwoord in het nulnummer; het eerste echte nummer verschijnt deo volente in het najaar.
Een andere Belg, fotograaf Kris DeWitte, maakte een aantal regisseursportretten (onder anderen van Dhont en Marie Kreutzer) de Cannes-uitgave van The Wrap en exposeert vanaf 21 mei in Saint-Paul-de-Vence (een uurtje met de auto, dus dat ga ik helaas niet halen).

Het is het puzzelen en rekenen om mijn schema kloppend te krijgen, en de korte nachten beginnen me daarbij af en toe op te breken. Ik had sowieso veel te veel kaarten gereserveerd, zelfs voor drie overlappende films, dus ik heb veel tickets weer moeten annuleren (als je dat niet op tijd doet, mag je twee dagen geen tickets meer bestellen).
Waar was ik dan wel? Bij Soudain van de Japanse regisseur Hamaguchi Ryusuke (Drive My Car, Asako I&II), een uiterst fijnzinnig en lief drama over de bijzondere vriendschap tussen een terminaal zieke Japanse toneelschrijfster (Tao Okamoto) en de toegewijde directrice van een Parijs’ verzorgingstehuis (Virginie Efira), die probeert, ondanks personeels- en geldtekort, een humane zorgmethode te introduceren. De twee praten meer dan drie uur aan één stuk, over Humanitude, de Franse gezondheidszorg en het kapitalisme, maar de manier waarop Hamaguchi het brengt is meeslepend en aangrijpend.
Ook nog naar het oudje Festival de Cannes 1947, een amateurfilm in kleur van Adrien Fred Maury, geschoten tijdens de tweede editie van het filmfestival. Het bleek vooral een eerbetoon aan de arbeiders die speciaal voor het evenement het Palais des Festivals hadden gebouwd op de plek van de voormalige Nautische Club aan de Boulevard de la Croisette 50. Er zaten veel leden van de CGT in de zaal, een grote Franse vakbond. Ook jammer dat de explicateur vanuit mijn hoek midden voor het scherm stond.

Bijzonderder vond ik L’age d’or van Bérenger Thouin (fonkelnieuw, maar eveneens opgenomen in het programma-onderdeel Cannes Classics), samengesteld uit films uit Thouins familiearchief en journaals die in de vorige eeuw door Gaumont-Pathé werden geproduceerd. Ze worden gecombineerd met scènes die Thouin zelf opnam met Souheila Yacoub in de rol van slagersdochter die het schopt tot gravin. De halve twintigste eeuw komt voorbij: we zien de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog, ze emigreert naar Brazilië, waar haar man een koffieplantage begint, ze keert weer terug naar Frankrijk, waar ze tijdens de Tweede Wereldoorlog heult met de nazi’s. “Archieven stellen je in staat om met de werkelijkheid en de tijd te werken, te spelen met narratieve conventies en, naar mijn mening, emoties op te roepen,” aldus Thouin.
Belangrijk nieuws tot slot: in een van de vakbladen die hier dagelijks verschijnen las ik dat Erling Haaland de stem gaat verzorgen van een viking in ViQueen, een animatiefilm van de Noorse regisseur Harald Zwart. En het luxe Hôtel Martinez aan de Croisette is het onderkomen van het vierde seizoen van de HBO-hitserie The White Lotus. Ik ga er binnenkort maar eens een drankje doen.
Vrijdag 15 mei: een ere-Palm voor John Travolta

Rondje gemaakt over de markt, waar producenten hun films aan de man proberen te brengen en landen en steden filmmakers ervan proberen te overtuigen om hun volgende meesterwerk aldaar op te nemen. Ze beloven niet alleen enorme belastingvoordelen.
São Paulo profileert zich bijvoorbeeld als ‘one state, endless locations’ en ‘Prague sets the scene’. South Africa: ‘Where global stories start’. Uruguay: ‘The country of your next project’. Thailand: ‘Where films come alive’. Peru: ‘Unexpected locations where all stories are possible’. Ook bijzonder aanlokkelijk is de pay-off van Kurdistan: ‘We have so much more than just the mountains’.
Trinidad heeft een soort saloon nagebouwd, inclusief klapdeurtjes, ‘Wanted’-bordjes en biervaten waarop stapels met bloed besmeurde bankbiljetten liggen. China laat robotjes over de Croisette rondlopen, die vrolijk naar iedereen zwaaien.
De Zweedse tweevoudig Gouden Palm-winnaar Ruben Östlund was even in Cannes om alvast wat scènes uit zijn The Entertainment System Is Down te tonen aan (potentiële) distributeurs, waaronder het Nederlandse September Film (een van de scènes was met Chiem van Houweninge, als de vader van Keanu Reeves). Vooraf was gehoopt dat The Entertainment System Is Down deze editie al in Cannes te zien zou zijn, maar de film was niet op tijd klaar. ‘Flight delayed to 2027’ stond er, heel gevat, op een enorm bord ten kantore van de sales agent.
Het Nederlandse paviljoen was drie keer leeg toen ik er kwam. Ook de borrel van het International Film Festival Rotterdam, die daar zolang ik me kan herinneren werd gehouden, is verplaatst naar een andere locatie. Vrijdagmiddag was er wel een mooi afscheid van de vorige week overleden Bert Goessen, die zich met Mooov hard maakte voor – in zijn eigen woorden – ‘juweeltjes die te risicovol zijn voor commerciële distributeurs’.

Fatherland van de Poolse meester Pawel Pawlikowski is zo’n juweeltje. Daarin draait het om het bezoek dat de Duitse schrijver Thomas Mann (Hans Fischler) na dertien jaar in de VS te hebben gewoond, samen met zijn dochter Erika (geweldige Sandra Hüller) maakt aan zijn verdeelde vaderland. Slechts 70 minuten, net als Ida en Cold War gedraaid in zwart-wit, maar boordevol grijstinten.
Veel minder geslaagd vond ik Histoires parallèles van de Iraanse Oscar-winnaar Ashger Farhadi. Het allengs ongeloofwaardiger wordende drama is losjes gebaseerd op Krzysztof Kieślowski’s Dekalog 6: A Short Film About Love, maar dan heel lang, langdradig en meta, Frans gesproken, in Parijs opgenomen, en met Franse sterren, onder wie Isabelle Huppert, Virginie Efira en Vincent Cassel.
Om mijn zinnen te verzetten ben ik maar een stukje gaan rennen, de berg op naar de Croix des gardes. Dat viel dan wel weer mee.
’s Avonds nog naar Propeller One-Way Night Coach, het (korte) regiedebuut van John Travolta. “Je suis heureux complètement,” stamelde Travolta (hip baardje, dito bril, witte alpinopet) nadat er een geweldige compilatie van bijna al zijn filmrollen was vertoond. “What a Night For Me!”
Het mooiste moest toen nog komen: festivaldirecteur Thierry Frémaux noemde hem een van de grootste artiesten van de 20ste én 21ste eeuw en overhandigde Travolta een ere-Palm d’Or. “Ik kan het niet geloven. Dit is het laatste wat ik verwachtte. Toen ik je in november ontmoette, verwachtte ik niet dat mijn film geaccepteerd zou worden, maar het was de allereerste die je hebt uitverkoren voor deze editie. Je vertelde me dat je niet eerder in zo’n vroeg stadium een film hebt geselecteerd voor de officiële selectie. Ik huilde als een baby, Ik kon het niet geloven,” zei Travolta. “Dit betekent alles voor mij. Dit overtreft zelfs de Oscar.”
Overigens was Frémaux zelf een dag eerder al in het zonnetje gezet door het vakblad Variety, omdat hij 25 jaar directeur van het festival is.
Donderdag 14 mei: Koude douche

Rare start van de dag. Toen ik de deur van het appartement uitging om te gaan zwemmen, ging er een hippe jongen met zwarte krullen op een step mee naar buiten. Een paar tellen later sprak hij me aan: hij was zijn voordeursleutel vergeten, of ik hem naar binnen kon laten. In de paar tellen dat we samen opliepen, vroeg hij waar ik vandaan kwam en vertelde hij dat hij drie jaar geleden Oekraïne was ontvlucht (‘die klote-oorlog’) en sinds kort in Cannes woont. Daarna naar het strand, waar ik ontdekte dat ik mijn handdoek was vergeten. Toch maar een duik genomen. Toen ik na de koude douche mijn voeten wilde afspoelen bij de waterpomp op de promenade, stond een dakloze man zijn kunstgebit schoon te spoelen. Ook dat is Cannes.
Ontbeten in het appartement, daarna naar het paleis, waar ik een rijtje ontwaarde dat er niet hoort te staan. De zaal was nog niet open: de film begon om negen uur in plaats van half negen. Direct mijn schema gecheckt, helaas was het de enige keer dat ik een half uur langer in mijn bed had kunnen liggen.
Eerste competitiefilms gezien. Nagi Notes van de Japanse regisseur Koji Fukada is een bedachtzame, sterk op de dialogen leunende bespiegeling over relaties en kunst. In La vie d’une femme van Charline Bourgeois-Tacquet speelt Léa Drucker een bewust kinderloze workaholic, wier leven uit het lood raakt als haar het hof wordt gemaakt door een jonge schrijfster die haar volgt voor een boek, ze tegelijkertijd heeft te kampen met bezuinigingen in haar ziekenhuis én bij haar moeder alzheimer wordt gesignaleerd. Beetje veel van het goede, maar een mooie rol van Drucker.
Vervolgens naar Teenage Sex and Death at Camp Miasma van Jane Schoenbrun, de openingsfilm van de tweede competitie Un Certain Regard, een wel heel zelfbewuste queer slasher over een jonge queer, woke regisseur (Hannah Einbinder), die door een grote studio wordt ingehuurd om een ingehaakte transfobe franchise nieuw leven in te blazen. (Haar afstudeerfilm was een remake van Psycho vanuit het perspectief van het douchegordijn.) Met Gillian Anderson volledig over de top als ’the last girl’ uit het origineel.

Ook nog naar Butterfly Jam, de eerste Engelstalige film van de Russische regisseur Kantemir Balagov, die ik in 2017 in Cannes sprak over zijn geweldige debuut Tesnota, en die een jaar later te gast was op het Critic’s Choice-programma dat Dana Linssen en ik toen nog organiseerden op het IFFR (hij is nog altijd pas 34). Butterfly Jam, de openingsfilm van de Quinzaine des cinéastes, is een soort van halfbakken Anora-variatie die te lijden heeft onder het feit dat de Ierse ster Barry Keoghan niet erg geloofwaardig is als Circassische Amerikaan. Dan weer wel heel goed is Talha Akdogan, als zijn 16-jarige zoon.
Voorafgaand kreeg de Franse regisseur Claire Denis (terecht) de carrosse d’or, de oeuvreprijs van de Quinzaine, en waren er heel lange toespraken. Het liep al met al een uur uit.
Laatste film van de dag was The Match van Juan Cabral and Santiago Franco, opgenomen in de Cannes Premiere-sectie, over de kwartfinale tussen Argentinië en Engeland op het WK voetbal van 1986 in Mexico (waar Nederland ontbrak, door een kopbal van Georges Grün kwalificeerde België zich). Het gaat over heel veel, van de Falklandoorlog tot de speciaal gemaakte shirts van de Argentijnen. Engelse en Argentijnse hoofdrolspelers (behalve Maradona, die in 2020 overleed) kijken terug en geven commentaar in een, hooguit twee zinnen. The Match is gekmakend snel gemonteerd (de 4-delige serie over Cruijff is er niks bij) en dichtgesmeerd met muziek, maar John Barnes is goud en de twee goals van Maradona kan ik wel honderd keer zien. Mooie anekdote: de hand van God, is geen citaat van Maradona, maar van een Italiaanse journalist, die, nadat Maradona ontkende dat hij hands had gemaakt iets vroeg als ‘dus was het de hand van God?’
Woensdag 13 mei: Met de Franse slag
Met de Franse slag, kent u die uitdrukking? Dinsdagochtend half 9 was in Cannes de eerste persvoorstelling van Pierre Salvadori’s La Vénus électrique, die dezelfde avond geprogrammeerd stond als openingsfilm. Maar om 9 uur ging het digitale Ticket Office open, waar je kaartjes moet reserveren voor films die over vier (!) dagen in Cannes te zien zijn. Dus om 3 voor 9 stroomde de zaal half leeg, de andere helft handelde zijn administratie gewoon in de zaal af. Alles is overigens binnen een mum van tijd volgeboekt, het lijkt erop dat iedereen zo veel mogelijk reserveert en later pas kijkt wat er echt in het schema past. Wat betekent dat er later dus ook weer plekken beschikbaar komen. (Ik doe dat zelf ook; beter mee verlegen dan om verlegen.)
In La Vénus électrique draait het om een straatarme circusartieste, die in Parijs anno 1928 wordt aangezien voor medium dat contact kan leggen met de doden. Wat begint als een onhandige zwendel, groeit uit tot een complexe driehoeksverhouding tussen de circusartieste, een modernistische schilder, die na de dood van zijn vrouw wordt verteerd door schuldgevoelens, en diens galerist, die het beste voorheeft met de getalenteerde, getormenteerde schilder én met zijn eigen portemonnee.
Ik vond La Vénus électrique best aardig, maar het gemopper was niet van de lucht – dat is overigens niets nieuws. Het valt ook niet mee; een openingsfilm is er niet alleen om de filmpers te behagen, er zitten ook veel sponsors en hotemetoten in de zaal. En Cannes ligt nu eenmaal in Frankrijk, dus de openingsfilm is de laatste jaren steeds vaker Frans.
De memorabelste openingsfilms in 25 jaar Cannes vond ik, denk ik, Pete Docters 3D-animatiefilm Up (in 2009), Wes Andersons Moonrise Kingdom (2012) en Baz Luhrmanns Moulin Rouge! (2001). Maar als ik door de lijst ga, zie ik vooral films waar ik me vrijwel niks meer van herinner …
Op de openingsavond kreeg Peter Jackson, de regisseur van The Lord of the Rings-trilogie, uit handen van Elijah Wood (die daarin de hobbit Frodo speelde) een ere-Gouden Palm. Dat was 26 jaar nadat Jackson in Cannes de eerste 26 minuten van de Midden-Aardesaga had gepresenteerd aan een select groepje filmjournalisten. In een kasteel buiten de badplaats, dat met uit Nieuw-Zeeland ingevlogen decorstukken was omgetoverd in Midden-Aarde, het rijk van de hobbits, was er gelegenheid de belangrijkste cast- en crewleden te spreken. Die deden dat in character; ik herinner me nog dat Viggo Mortensen (Aragorn) een kopje ingewikkelde thee voor zich had staan en de hele tijd aan een raar pijpje zat te lurken.
Jackson werd door studio New Line aan de verzamelde pers geïntroduceerd als een ‘visionair filmmaker, de eerste en enige regisseur die drie films tegelijk heeft opgenomen’. ‘De impact van The Lord of the Rings wordt gigantisch, vergelijkbaar met D.W. Griffith’ epos The Birth of a Nation in 1915. Alleen is het publiek nu veel groter’, voorspelde Christopher Lee, die de kwade tovenaar Saruman speelde.
Het waren geen loze woorden. Met 17 Oscars en een omzet van 3 miljard dollar werd The Lord of the Rings-trilogie een artistiek en commercieel succes. Volgens festivaldirecteur Thierry Frémaux is er ‘duidelijk een voor en een na Peter Jackson’. “Grootsheid en spektakel zijn zijn handelsmerk, en zijn allesomvattende vorm van entertainment is bijzonder ambitieus. Hij heeft de Hollywoodcinema en de opvatting van het spektakel voorgoed veranderd. Maar Peter Jackson is niet alleen een groot technicus, hij is bovenal een geweldige verhalenverteller. En een onvoorspelbare kunstenaar: wat zal het volgende universum zijn dat hij gaat vormgeven?” (Spoiler: Jackson vertelde dat hij in Cannes aan een Kuifje-scenario werkt.)
En toch is het ook een beetje gek dat Jackson nu in Cannes op het schild wordt gehesen. Geen van zijn films schopte het ooit tot de officiële selectie. Alleen zijn geniale, intens smerige horrorkomedie Bad Taste, gemaakt met een budget van 25.000 dollar, was in Cannes te zien, in 1987 op de markt. Toen is hij door een bewaker het festivalpaleis uitgezet, omdat het niet was toegestaan in korte broek rond te lopen, vertelde Jackson daags nadat hij zijn prijs had gekregen in een zogenaamde ‘rendez-vous’.
Maar Cannes heeft nu eenmaal grote namen nodig. Dat zal ook de reden zijn dat Frémaux een speciale nachtvertoning heeft ingelast van The Fast and the Furious, in het bijzijn van de cast en crew. “Het is geen film voor de Gouden Palmcompetitie,” aldus Frémaux (joh!), “maar als fenomeen in de hedendaagse filmgeschiedenis heeft de serie grote waarde. Er zijn inmiddels tien delen gemaakt, sommige films zijn geweldig. En ze zijn belangrijk voor zowel de filmwereld als het publiek. De serie heeft heel veel geld in het laatje gebracht.”
Dinsdag 12 mei: je moet toch wat…
Gisteren de hele dag in de trein gezeten: van Amsterdam, via Parijs en Marseille naar Cannes, ruim 1400 kilometer. Het wordt mijn 25ste keer. In 2001 was ik voor het eerst op het festival, als hoofdredacteur van het inmiddels ter ziele gegane filmblad Skrien en een klein beetje voor de Volkskrant (nee, ik maak geen telfout; in 2020 was er geen festival vanwege corona).
In de trein van Gare du Nord naar Gare de Lyon liep ik Jort van Slooten tegen het lijf, film- en mediajournalist bij het Nederlands Dagblad. Hij vertelde me dat bij zijn krant alle freelancers vriendelijk zijn bedankt en dat hij nog de enige is die over film schrijft. Het zijn zware tijden voor de filmkritiek…
Geluisterd naar Spraakmakers, waarin Paroolcollega Tahrim Ramdjan vertelde over het opiniestuk van Marjan Goslings, voorzitter van de klachtencommissie Ongewenst Gedrag van Eye Filmmuseum. Zij reageerde afgelopen zaterdag op het onderzoek dat ik samen met Bas Soetenhorst deed naar de financiële problemen en wanbestuur bij het museum, dat Het Parool medio april publiceerde. Beetje meta, over de rol van journalistiek en verantwoording afleggen over je werkwijze, maar hij legt het prima uit.
Het tweede, lange stuk van mijn reis zat ik naast een bejaarde inwoner van Cannes, die aan een stuk zat te neuriën, wat veel weg had van kreunen. Onderweg kreeg ik bericht van Hans Schwarz: ‘Succes in Cannes! Ik ga je volgen.’ Daar doe je het voor!

Verder kreeg ik vooral curieuze mails: ‘BYD, ’s werelds grootste fabrikant van voertuigen op nieuwe energie en duurzame mobiliteitsoplossingen, en Mediawan, de toonaangevende onafhankelijke en meermaals bekroonde Europese studio, kondigen met trots de eerste editie aan van een nieuwe prijs die bedoeld is om opkomend filmtalent te inspireren en te ondersteunen’.
Dan komt het: het gaat om een prijs voor films die zijn uitgebracht in Frankrijk tussen mei 2025 en mei 2026, tussen twee edities van het Festival de Cannes en die niet zijn vertoond op het festival zelf.
‘De Marché is een dynamische markt,’ stond in een ander bericht. ‘Met Cinelytic kunt u het verdienpotentieel van elke aangeboden film in realtime, tijdens de markt, beoordelen’. Was het maar zo eenvoudig, dan waren we allemaal miljonair.
Ook in de mail: een ronkend persbericht dat Meta er trots op is officieel partner te zijn van het Festival van Cannes. ‘Het is een logische stap: Cannes bepaalt al decennialang hoe we de wereld door een lens bekijken – en vandaag de dag delen we die visie met de wereld via onze platforms. Met meer dan 3,5 miljard gebruikers per dag via onze apps – en video dat meer dan 60 procent van de tijd op Facebook en Instagram vertegenwoordigt – is Meta uitgegroeid tot dé plek op de eerste rij van het festival.’
En Doreen Boonekamp vroeg aandacht voor een open brief getiteld ‘Europa heeft cinema nodig, cinema heeft Europa nodig’, die is ondertekend door duizenden prominente makers en professionals in de film- en audiovisuele sector (onder wie Juliette Binoche, Ruben Östlund, Stellan Skarsgård, Sandra Hüller, Lukas Dhont, Pawel Pawlikowski, Mike van Diem en Alex van Warmerdam), waarin steun wordt gevraagd voor de film- en audiovisuele sector in Europa. Waarvan akte.

Dinsdagochtend in alle vroegte gezwommen (veel wind, hoge golven, de Middellandse Zee is minder koud dan de uitlopers van het IJ), daarna voor 11 dagen boodschappen gedaan en mijn accreditatie opgehaald. Ik heb deze editie geen rolstoeltje meer op mijn festivalbadge. Omdat ik dat de afgelopen twee jaar vanwege twee heupoperaties wel had, kreeg ik in aanloop naar het festival een brief waarin me werd gevraagd of ik opnieuw in aanmerking kwam voor zo’n speciale pas, die je leven in Cannes enorm vergemakkelijkt omdat je nergens in de rij hoeft te staan. Heb even getwijfeld of ik een aanstellerig antwoord zou sturen, maar heb toch maar geantwoord dat mijn herstel zeer voorspoedig is verlopen.
’s Middags naar de persconferentie van de Gouden Palmjury (De Schotse scenarist Paul Laverty vroeg aandacht voor het op een zwarte lijst plaatsen van onder anderen Cannes Postergirl Susan Sarandon, nadat ze zich had uitgesproken over de toestand in Gaza) en naar twee VR-producties in de kelder van het Carlton. Er draaiden nog geen films en je moet toch wat…